Ben ik dat?

Wat hersenonderzoek vertelt over onszelf

In 2009 verscheen een tweede, uitgebreide editie van ‘Ben ik dat?’. Ruim 380 bladzijden met een overzicht van alles wat hersenonderzoek vertelt over onszelf. Ik werkte twee jaar aan het boek. Een ‘rijke tour d’horizon’ schreef het NRC. ‘Inzichtelijk boek over de hersenen’ schreef de Volkskrant. Er zijn inmiddels zo'n 30.000 exemplaren gekocht.

Wereldwijd wordt onderzoek gedaan naar onze hersenen. Naar gewone hersenen van gewone mensen. Ik schreef ‘Ben ik dat?’ om de resultaten toegankelijk te maken voor een breed publiek. Omdat het leuk en soms ook handig is om te begrijpen hoe het daarboven werkt. In mijn opzet ben ik geslaagd. ‘Ben ik dat?’ veroverde een breder publiek dan ik had mogen hopen. Ik krijg reacties van mensen van alle leeftijden en uit alle sociale lagen.

‘De 35 overzichtelijke hoofdstukken zijn een rijke tour d’horizon waarin veel recent onderzoek is verwerkt. Op de markt van hersenboeken is het een echte aanrader. (...) Mieras schrijft beheerst, maar schuwt persoonlijke details niet.’ Hendrik Spiering, NRC Handelsblad

‘Bijzonder inzichtelijk boek over de werking van onze hersenen (...)’ Ranne Hovius, de Volkskrant

‘Het is echt smullen. Op iedere bladzijde ontdek je wel iets over de hersenen en daarmee over jezelf.’ Fransisco van Jole, Desmet Live

‘Ben ik dat? is een bloemlezing van de mens, in al zijn facetten: zowel de door onszelf zo geroemde intellectuele verworvenheden als de gênante details die we liever verzwijgen.’ Nina Bien in De Psycholoog

  • Tiende, aanzienlijk uitgebreide druk, september 2009
  • 416 pagina's
  • Nieuw Amsterdam

Inhoud

1.

Kamer met uitzicht

De ogen bieden ons een glashelder zicht op de wereld. Dat stelt hersenwetenschappers voor een raadsel. Hoe kunnen de hersenen zoveel details opnemen en verwerken? De hersenen toveren ons een illusie voor.

2.

Waar ken ik jou van?

Meer dan de helft van de hersenschors houdt zich bezig met visuele informatie. Onder andere met de herkenning van dieren, planten, gebruiksvoorwerpen en vooral mensen. Voor niets is het brein zo gevoelig als voor gezichten.

3.

Ruik jij wat ik ruik?

Geuren zijn dominant in de ervaring. Ze maken mensen wellustig of droevig, vrolijk of alert. Geuren kunnen de hersenen betoveren.

4.

Er zit een liedje in mijn hoofd

Wat hebben onze hersenen met muziek? En wat hebben ze met taal? De hersenen verraden een nauwe relatie tussen taal en muziek.

5.

Je grijpt nooit mis

Je weet waar je bent, elk moment van de dag. Waar je lichaam zich bevindt ten opzichte van de tafel en waar je hand zich bevindt ten opzichte van het kopje koffie op tafel. Ruimtegevoel is een fysieke ervaring. Lees dit hoofdstuk…

6.

Tweede straat rechts, eerste links

Het hoofd zit vol stadskaarten. Kaarten die voortdurend worden uitgebreid en verfijnd. Een paar wandelingen door een nieuwe stad en je vindt er al aardig de weg. Hersenen zijn kaartenmakers.

7.

Is het al zo laat?

Punctueel wekken de hersenen zichzelf in de ochtend. Korter dan een minuut voor de wekker. In de hersenen zitten verschillende klokken die elkaar soms tegenspreken. Bij ouderen gaat de tijd snel en langzaam tegelijk.

8.

Ik plof

Ons inwendige oog kijkt voortdurend in het lichaam. Honger, vermoeide spieren, koude tenen? De hersenen verschaffen ons een lichaamsgevoel. Alleen is dat niet altijd het juiste lichaamsgevoel. Kunnen we in de hypothalamus de juiste knop vinden om minder te eten?

9.

Ogen op steeltjes

Waarom zien we de boom vóór ons staan? Waarom zien we hem niet in ons hoofd, waar de hersenen het beeld van de boom verwerken? Zien of luisteren is net zoiets als tasten. De hersenen onderwerpen de buitenwereld aan een onderzoek.

10.

Zondagen zijn rood

Hebben weekdagen een kleur of smaken een vorm? Daar is niets vreemds aan: onze hersenen hebben geen gesloten kamertjes. Gedachten, bewegingen en zintuigen zijn langs verrassende routes met elkaar verbonden.

11.

Waarom doe je zo vreemd?

Omdat iedereen andere hersenen heeft, ziet de wereld er voor iedereen anders uit. Dat is een belangrijke reden waarom mensen zich zo verschillend gedragen: introvert of extravert, ambitieus of lui, sociaal en invoelend of op zichzelf.

12.

Waarom snapt hij/zij me niet?

Waarom voelen mannen en vooral vrouwen vaak zo’n onoverbrugbare kloof? Waarom zijn ze zo anders? Omdat hun hersenen verschillend werken.

13.

Je kunt niet alles tegelijk

Hoe graag we ook tv-kijken met een half oog op de krant, uit hersenonderzoek blijkt dat ons brein echt maar één ding tegelijk kan. Waarom we onze mogelijkheden schromelijk overschatten.

14.

Het zit in mijn vingers

Bij een pianist zit de muziek in de vingers; hij luistert naar wat ze spelen. Die prestatie berust op de samenwerking van drie typen hersenen met een zeer uiteenlopende oorsprong en aard.

15.

Eentje om het af te leren

De hersenschors wil stoppen met roken maar de kleine hersenen en hersenstam zoeken de zakken routineus af naar het pakje sigaretten. In ons hoofd woedt een soort generatieconflict, maar dan over een kloof van vijfhonderd miljoen jaar.

16.

Kus me!

Verliefdheid is een storm in de hersenen. De neurotransmitters gaan met ons gedrag aan de haal. Wie verliefd is wil nog maar één ding. Of heeft het verliefde brein ook hogere doelen?

17.

Een beetje gestrest?

Stress kan verlammen, maar zorgt er ook voor dat we deadlines halen. Wie goed met stress omgaat, maakt sneller carrière.

18.

Ik weet wat je denkt

Hoe lang is ons hoofd nog privé? Onderzoekers slagen er steeds beter in om te meten wat we denken en of we de waarheid spreken.

19.

Breinblind

Het orgaan dat ons in staat stelt om de wereld en onszelf te kennen, lijkt geen idee te hebben dat het zelf bestaat. De hersenen zijn breinblind.

20.

Van liefde word je groot

Je houdt van ze. Baby’s en kinderen wekken diepe gevoelens van ouderliefde. En daardoor weten ouders intuïtief precies wat er van ze verwacht wordt om de hersenen van hun bloedjes te laten rijpen.

21.

Hangjongeren

Waarom zijn pubers zo onhandelbaar? Nee, dat ligt niet aan de hormonen. De hersenen maken een ingrijpende verbouwing door waardoor ze tijdelijk in onbalans zijn. Wat pubers nodig hebben is begrip daarvoor.

22.

Wijsheid komt met de jaren

Wijsheid komt met de jaren, en dat kun je meten. Hoe ouder we worden, hoe compacter de hersenen. Het is tijd dat ouderen leren trots te zijn op hun hersenen.

23.

En wat wil het brein vandaag eten?

Ook wat we eten bepaalt welk brein we krijgen. Voedingsstoffen beïnvloeden van dag tot dag hoe we ons voelen en presteren. Je bent wat je eet.

24.

Hersengymnastiek

Alles wat we ervaren en doen, heeft invloed op de hersenen. Je kunt het brein tot grote bloei brengen of laten wegkwijnen. Naar eigen keuze.

25.

Je moet eens wat meer bewegen!

Lichaamsbeweging is belangrijk voor de ontwikkeling van goede hersenen. Maar dan moet je het wel serieus aanpakken. De hartslag moet omhoog tot 160.

26.

Waar zit jij met je aandacht?

Is meditatie het ideale medicijn tegen versnippering? Heel wat psychologen en hersenonderzoekers denken van wel. Al na een paar dagen oefenen beginnen mensen beter te presteren.

27.

Doe eens creatief!

Creativiteit is de kunst van het loslaten. Creatieve geesten dimmen hun controlecentra en houden hun aandacht off-focus. Gewoon een kwestie van aan de juiste knoppen draaien.

28.

Eindelijk rust

Iedereen heeft wel een truc om zijn eigen hersenen te temmen en tot rustig te brengen. Bidden kan helpen, of sport, of mindfulness. Innerlijke rust herprogrammeert de neuronen.

29.

Dokter, is daar een pilletje voor?

Geen orgaan is zo kneedbaar als de hersenen. Dat geldt ook voor de chemie van het brein. We zijn de pillenpreutsheid voorbij. Steeds vaker slikken we een dipje weg.

30.

Hersenen bijstellen

Hebben je hersenen een onderhoudsbeurt nodig? Onderzoekers werken aan nieuwe soms verrassende technieken om hersenen te stimuleren en soepel te laten werken. Met elektrische stroompjes bijvoorbeeld.

31.

Het leven is kiezen

Iedere keer dat we kiezen, strijden hersencentra over de uitkomst. Het bewustzijn schikt zich in de keuze die de hersenen maken.

32.

Wie verovert de meeste hersencellen?

Hoe kiezen mensen welk wasmiddel of biermerk ze gaan kopen? De hersenen beslissen op een heel andere manier dan ze zelf denken. Welk product verovert er de meeste hersencellen?

33.

Verborgen verleiders

Verborgen boodschappen werken beter dan openlijke reclame. Wie niet weet dat hij of zij beïnvloed wordt is extra bevattelijk.

34.

Ik weet gewoon wat ik moet doen

Niet alleen de linkerhersenhelft maar ook de rechterhersenhelft heeft bewustzijn. Soms heeft dat bewustzijn geen toegang tot de taal. Dan noemen we het intuïtie.

35.

Ik zal je niet vergeten!

Wie zouden wij zijn zonder de herinneringen aan ons leven? Het geheugen bewaart onze identiteit behoedzaam. Maar waarom? Alleen met een verleden is er toekomst in ons brein.
Lees dit hoodstuk…

36.

En wie ben ik?

Zelfbewustzijn blijft een groot mysterie, totdat we inzien dat het eigenlijk iets anders is dan we altijd dachten: de hersenen vertellen een verhaal over zichzelf.

37.

Verkikkerd op een robot

Onze sociale radar zoekt in alles wat we tegenkomen naar een zelfbewuste identiteit. Ook in een vis en een robothond.

38.

Ik ben er voor jou

Pianospelen, problemen oplossen, creatief zijn en leren: het gaat allemaal uitstekend zonder dat het ‘ik’ zich ermee bemoeit. Wat is dan de functie van het zelfbewustzijn? We hebben het vooral voor anderen.

39.

Ik weet wat je voelt

Mensen hebben een verborgen zintuig voor anderen. Dankzij onze spiegelneuronen weten we wat er in iemand anders omgaat, en kunnen we zelfs zijn pijn voelen.

40.

Bevrijdende lach

Samen lachen, dat is heerlijk Waarom? Lachen maar ook huilen en gapen scheppen in een sociale groep een gemeenschappelijke breintoestand.

41.

Van vrienden moet je het hebben

Praten is soms eerste hulp bij ongelukken. De liefdevolle aandacht van een vriend of vriendin stabiliseert het evenwicht in je hersenen na een rotervaring.

42.

Maak mij gelukkig!

Hoe meer sociale relaties, hoe gelukkiger mensen zijn. Hersenonderzoek vertelt waarom. Vriendschap en liefde zijn belangrijk voor vitale hersenen. En zelfs voor onze identiteit.

Hoofdstuk 5

Je grijpt nooit mis

Je weet waar je bent, elk moment van de dag. Waar je lichaam zich bevindt ten opzichte van de tafel en waar je hand zich bevindt ten opzichte van het kopje koffie op tafel. Ruimtegevoel is een fysieke ervaring.

De armleuningen van mijn bureaustoel steken onder het bureaublad. Mijn polsen rusten op de rand van het toetsenbord terwijl de vingers zelfstandig de weg zoeken over de toetsen om dit te schrijven. Ik verzin woorden en zij vinden er de toetsen bij. Links van het toetsenbord staat een dampend kopje thee. Het bureau staat midden in mijn kantoor.

Het kantoor staat in een straat en in gedachten zoom ik uit. Met luid geruis rijdt er, achter mijn rug, een schoonmaakwagen voorbij en verdwijnt om de hoek. Daar ligt een pleintje met platanen en aan de andere kant de Ceintuurbaan met daarachter het park en de Amsterdamse Albert Cuypmarkt met zijn viskramen vol zilveren makrelen en rondkrabbelende kreeften. En met zijn verkopers die je direct naast de viskramen in alle seizoenen een krantenabonnement proberen aan te smeren. Het kost me geen moeite om me dat alles voor te stellen. Eigenlijk is het besef van mijn plaats in de ruimte er steeds. Alleen als ik op een vreemde plaats wakker word kan het een paar seconden ontbreken. Als een radar zoekt mijn hoofd naar herkenningspunten om mijn positie in de wereld te bepalen. Om de kamer waarin ik mij bevind weer een plek te geven in een straat, in een buurt in een stad. Dat zijn verwarrende seconden.

Oriëntatie is inderdaad zoiets als een radar. Het is een instrument dat ononderbroken de positie bijhoudt van het lichaam in de ruimte: mijn lichaam ten opzichte van de kop thee op tafel, mijn lichaam ten opzichte van de straat.

Wie aan oriëntatie denkt, denkt meestal aan de plaatsbepaling ten opzichte van het grote geheel: de stadsplattegrond, het netwerk van snelwegen. Minstens even belangrijk is de binnenste ring van onze oriëntatie: de plaatsbepaling binnen ons huis, binnen de kamer. Zonder dat we het merken is de radar in onze hersenen ook hier voortdurend in touw.

Ik pak het kopje thee en breng het naar mijn mond, neem een slok en zet het weer naast het toetsenbord. Pas als ik die handeling gedachteloos heb uitgevoerd vraag ik me af wat ik daarnet deed. Ik sluit mijn ogen en herhaal de handeling. In mijn voorstelling is het kinderlijk eenvoudig: hier is mijn hand, en hier mijn dorstige mond en daar het theekopje. Mijn hand zweeft naar het kopje en dan samen met het kopje naar mijn mond en weer retour. Met hete thee.

Wat gebeurt er werkelijk als ik mij voorneem om de kop thee van het bureau te pakken? Boven aan de frontaalkwab maakt, dicht bij mijn kruin, de premotorische schors een vertaalslag van het plan. Vanaf het voorhoofd ontvangt het instructies voor acties, vanaf de andere zijde stroomt vanuit de pariëtaalkwab ruimtelijke informatie naar boven. Wat staat er in de weg om de handeling uit te voeren? Om het kopje te bereiken moeten het toetsenbord en de bureaulamp worden omzeild en afhankelijk van de positie van mijn stoel moeten de gewrichten bepaalde hoeken maken om de hand in de juiste positie te brengen. Zodra het plan af is wordt het omgezet in spierbewegingen. Spierbewegingen in de schouder, elleboog, pols, handpalm en vingers. De schouder duwt de onderarm naar het lichaam terwijl de elleboog zich strekt en de pols de hand verticaal draait. Je hebt ingewikkelde ‘bolgeometrie’ nodig om te berekenen in welke standen botten en gewrichten moeten komen om het theekopje te pakken. Of heel veel ervaring, zoals een kraanmachinist je kan vertellen: die doet het op zijn gevoel. Heel veel ervaring is ook zoals het bij mensen gaat.

Het is intrigerend om te zien hoe een baby voor de eerste keer de linker- en de rechterhand samenbrengt om een rammelaar of een knuffel over te pakken. De eerste ontmoeting is toeval maar een paar weken later vormen de handen al een onafscheidelijk stel, dat elkaar overal weet te vinden. Al bewegend en spelend bouwt de premotorische schors van een baby in razend tempo geometrische kennis op over hoe de armen moeten bewegen om elkaar of objecten in de omgeving te bereiken. Rollend en kruipend leert een baby een onderscheid te maken tussen ‘dichtbij’ en ‘veraf’, ‘achter’, ‘voor’ en ‘ondersteboven’. En als hij na een jaar gaat lopen ook tussen ‘beneden’ en ‘boven’. Allemaal ruimtelijke kennis die de jaren daarna zal meegroeien met het lichaam. Want naarmate de armen groeien, veranderen de hoeken die nodig zijn om jezelf ergens te krabben, om een appel van de fruitschaal te pakken, om tussen de bank en de salontafel door te wandelen, de trap op te lopen.

Dat we ons al die ingewikkelde bewegingen later niet meer bewust zijn, komt omdat de hersenen ze automatiseren. Zonder dat zouden we niet in staat zijn tot ogenschijnlijk simpele, maar toch complexe activiteiten als van de tafel naar de bank lopen of de trap op rennen. Dat vergt ingewikkelde reeksen gecoördineerde bewegingen van allerlei gewrichten. Die reeksen worden vastgelegd in de premotorische schors en de kleine hersenen. De kleine hersenen, ook wel aangeduid met cerebellum, zitten bij het achterhoofd, waar ze onder de occipitaalkwab uitsteken. Ze spelen een belangrijke rol bij ingesleten gewoonten en bewegingen.

Ruimtegevoel is de abstractie die de hersenen maken van al die geautomatiseerde geometrie van onze armen en benen. En ruimte is dus een fysieke ervaring. Niet voor niets kunnen kinderen maar moeilijk stilzitten. Rennen, dansen en springen, duwen, frutselen en peuteren is belangrijk voor de ontwikkeling van hun ruimtelijke inzicht.

Een eenvoudig maar frappant experiment laat zien hoe sterk ruimtelijk denken ook voor volwassenen gekoppeld blijft aan fysieke beweging. Op een computerscherm verschijnen paren van eenvoudige ruimtelijke figuren. Ik moet beoordelen of ze gelijk zijn, of het spiegelbeeld van elkaar. Dat wordt bemoeilijkt doordat ze op de afbeeldingen onderling zijn gedraaid. De opdracht is om de test zo snel mogelijk te doen.

Ik voel mijn hersens werken. Waaruit dat werken bestaat, blijkt achteraf uit de reactietijden. Hoe groter de hoek waarover de twee figuren ten opzichte van elkaar gedraaid zijn, hoe langer het duurt om te beoordelen of ze gelijk zijn of gespiegeld. Je kunt een liniaal langs de grafiek leggen. Om me voor te stellen hoe een figuur er onder een andere hoek uitziet, draaien mijn hersenen ze dus letterlijk rond, als een fauteuil die je over de vloer naar het raam draait. Het duurt een seconde om een object 60° te draaien, twee seconden voor 120°, en drie seconden voor 180°. Ruimtelijk denken is gekoppeld aan onze ervaring met fysieke beweging.

Oriëntatie vraagt niet alleen om een gevoel voor ruimte, maar ook om nauwkeurige cartografie. Sluit je ogen en draai je hoofd: de kamer draait nog precies zo om je heen als met geopende ogen. De meeste mensen kunnen met hun ogen dicht precies aanwijzen waar de tafel staat en waar de televisie, zelfs nadat ze een paar stappen hebben genomen en om hun as zijn gedraaid. Anderen vinden dat moeilijker. De eigenschap blijkt te corresponderen met de activiteit van een groep neuronen op de pariëtaalkwab.

De hersenen houden verschillende lichaamsgebonden, of ‘egocentrische’ kaarten bij van onze omgeving. Kaarten die gebonden zijn aan ons lichaam, maar ook kaarten die gebonden zijn aan ons hoofd. Die laatste kaarten beschrijven wat er zich in het linker- en het rechterbeeldveld bevindt. Waar staat de tafel, waar staat de lamp, waar is de buitendeur? De kaart voor de linkerhelft van de kamer zit in de rechterhersenhelft en die voor de rechterkant van de kamer zit links – in de hersenen kruisen immers alle functies. De kaart wordt bij elke beweging vliegensvlug aangepast. ‘Spatiële updating’ noemen hersenonderzoekers dat. Verschuift het theekopje van links naar rechts in beeld dan verhuist zijn innerlijke afbeelding naar de andere hersenhelft.

Het Nijmeegs Instituut voor Cognitie toonde dat in 2005 aan. Uit experimenten met apen bleek dat wanneer de ogen een sprongetje maken, de spatiële updating zo snel verloopt dat de kaarten al zijn aangepast voordat de ogen zijn gearriveerd. De visuele schors weet al wat hij te zien krijgt vóór de ogen weer beeld doorgeven. Mensen bij wie de betrokken hersengebieden minder actief zijn, geven vaak aan dat ze zich in het dagelijks leven minder goed kunnen oriënteren dan anderen.

De richting van ons hoofd heeft een opvallende invloed op ons ruimtelijke denken. Kijk maar eens hoe mensen de weg wijzen. Ze kijken elkaar niet aan maar werpen de blik in de richting waarin gewezen wordt. Voert de beschreven route bij de tweede straat naar links dan draaien de hoofden ook naar links. Dat gedraai met hoofden is niet beleefd, noch handig voor de communicatie, maar het dient wel de oriëntatie.

Onderzoekers in Boston ontdekten in 2006 dat de hersenen zich beter kunnen oriënteren wanneer ze kijken in de richting waarin ze denken. Ze plaatsten proefpersonen op een draaibare bureaustoel achter een computerscherm waarop ze foto’s toonden die in de directe omgeving, op de universiteitscampus, waren genomen. De proefpersonen moesten bedenken in welke richting de fotograaf de foto had genomen, en zich in hun stoel in die richting draaien. Net als wanneer je iemand de weg wijst, vergt de test een vertaalslag: het brein moet de lokale oriëntatie vertalen in de oriëntatie op straten en pleinen verderop.

Van de proefpersonen stonden de computerschermen gericht op het zuiden, noorden, westen of oosten, en ze hadden duidelijk de minste moeite met de foto’s die in diezelfde windrichting waren genomen. De meeste moeite hadden ze met foto’s in precies de tegenovergestelde windrichting. Overigens waren er grote verschillen in prestatie. Lang niet iedereen is even goed in oriëntatie. Uit vragenlijsten die de proefpersonen invulden, bleek dat ze heel goed van zichzelf wisten of ze wel of niet goed waren in oriëntatie.

Ben ik dat? is een boek voor iedereen met hersens.
Bestel jouw eigen exemplaar.

Hoofdstuk 35

Ik zal je niet vergeten!

Wie zouden wij zijn zonder de herinneringen aan ons leven? Het geheugen bewaart onze identiteit behoedzaam. Maar waarom? Alleen met een verleden is er toekomst in ons brein.

Als de bus bij de begraafplaats wegrijdt, buigt mijn moeder zich iets voorover en vraagt: ‘Wie hebben we nu ook alweer begraven?’ Haar geheugen mist wel eens iets de laatste tijd. Steeds meer eigenlijk. Ze heeft alzheimer. Zelfs dat ze vergeetachtig is, vergeet ze iedere keer. En dan vraagt ze zich af waarom de mensen al zo lang niet meer bij haar langs zijn geweest. Ze verzint haar eigen verhaal om de losse eindjes aan elkaar te knopen. Haar ouders, van wie ze zich niet meer kan herinneren dat ze gestorven zijn, zijn op wereldreis. Haar nieuwste kleinkind is adoptief, want ze kan zich van haar dochter geen zwangerschap herinneren. En omdat ze geen weet meer heeft van recente ontmoetingen, verkondigt ze dat vrienden en familieleden zelden of nooit naar het verzorgingstehuis komen. ‘Ben je hier wel eens geweest?’ vraagt ze elke keer dat ik op bezoek kom. We drinken samen thee. ‘Goh, wat doe je nou?’ wil ze weten. Ik vertel het en dan vraagt ze het een minuut later weer. Alsof het brein zonder recente herinneringen als een versleten langspeelplaat steeds in dezelfde groef ronddraait.

Ze zwaait me uit bij de lift. Ik weet dat ik een paar minuten later alweer uit haar herinnering ben verdwenen. Opnieuw immer afwezig en nooit langs geweest. Het leven is voor haar een poppenkast met mensen die opduiken en verdwijnen. Tegen deze eenzaamheid valt niets te beginnen. Zonder het geheugen heeft het leven geen lijn, geen logica, geen ontwikkeling. Zonder geheugen is alles als los zand.

De onderdelen van een herinnering liggen los van elkaar opgeslagen in de hersenen. We gebruiken de temporaalkwab om ons de kleur en het geluid, en de pariëtaalkwab om ons de actie van hetzelfde object te herinneren. Wat deed de auto? Rijden! Hoe klonk dat? Met het geluid van gillende banden! Wat voor ’n kleur had hij? Rood! Eén herinnering bestaat al snel uit tientallen sensaties die als losse kralen door het brein verstrooid liggen. Het zijn niet de kralen, maar het is de draad die de herinnering schept, door ze te verbinden.

De kralen in een herinnering zijn dezelfde neuronen die we ook gebruiken bij zintuiglijke ervaring. We beleven de herinnering in de hersenschors op precies dezelfde plaats als waar we zintuiglijke ervaringen beleven: gezichten herinneren we ons in de gyrus fusiformis, de namen herinneren we ons in het taalcentrum, geluiden in het auditieve centrum en ga zo maar door.

Een herinnering in een ketting, of eigenlijk een web. Een web van soms tienduizenden neuronen verspreid over de schors, die elkaar prikkelen als ze zelf worden geprikkeld. Twintig jaar na dato kan een bekend gezicht zo een verbluffende kettingreactie van associaties op gang brengen. Het visuele beeld van bekende ogen en een bekende neus laat een eindje verderop op de hersenschors een naam oplichten, activeert het beeld van een zonnige middag op een terras en vrolijke emotie. Via een sterk vertakt spoor roept de ene sensatie de volgende op, kriskras over de hersenschors en emotionele hersenen, tot alle kralen weer zijn geactiveerd, en we de ervaring in geuren en kleuren opnieuw beleven.

Verteert de Ziekte van Alzheimer de draad van het web, dan valt de ketting uit elkaar. Dan resteert op den duur een bak met losse kralen.

Mijn moeder zit naast me in de auto. Ik breng haar thuis na het kraambezoek bij mijn jongste zus. Het is zondag, de weg is rustig. ‘Gek eigenlijk dat ik geen kinderen heb,’ zegt ze. Ik zeg: ‘Je hebt er vier!’ Ze draait zich verbaasd naar me om. ‘Vier? Maar wie dan?’

Ik noem de namen van mijn drie zussen. ‘Dat zijn er drie,’ zegt ze nuchter. ‘Maar wie is dan de vierde?’ Ik lach: ‘De vierde dat ben ik.’ ‘Nee!’ lacht ze, als iemand die ontdekt dat ze in het ootje genomen is: ‘Dat is niet waar. Jij bent toch mijn broer?’

Hoe vaker je een herinnering ophaalt en daarmee het netwerk van ervaringen activeert, hoe sterker de draad, en hoe gemakkelijker de herinnering zich laat oproepen. Het principe achter het geheugen is eenvoudig: neuronen versterken hun onderlinge verbindingen iedere keer dat ze samen worden aangesproken. Langetermijnpotentiatie heet dat (LTP).

Het principe van het geheugen is eenvoudig, maar het geheugenproces is een stuk ingewikkelder. Een herinnering gaat een lange weg voordat die stabiel in het langetermijngeheugen is gegrift. Een lange weg waarin het overgrote deel van onze ervaringen ergens halverwege verloren raakt. Dat is niet erg. Herinnering mag dan van onschatbare waarde zijn, vergeten is niet minder belangrijk. Voor gezonde hersenen is vergeten een zegen. Welk nummertje had u gisteren bij de slager? Hoeveel kostte die bloemkool afgelopen zaterdag op de markt? De herinnering is vermoedelijk weg. Voorgoed opgeruimd.

Vooral het kortetermijngeheugen is goed in opruimen. Dit domein van de prilste herinnering ligt op de frontaalkwab en pariëtaalkwab. Het kortetermijngeheugen heeft een grote overlap met wat psychologen het ‘werkgeheugen’ noemen, waarin we bijvoorbeeld tussenoplossingen bewaren bij het hoofdrekenen. Het kortetermijngeheugen houdt de informatie vast die we direct nodig hebben om te doen waarmee we bezig zijn. Waar staat het schoteltje waarop ik mijn theekopje moet terugzetten? Welk bedrag moet ik uit mijn portemonnee halen om aan de caissière te geven? Hoeveel vorken en messen moet ik nog pakken om bij de borden te leggen? Als een klein kind dat een spelletje memory speelt, houdt het kortetermijngeheugen de vingers bij de kaarten die zo direct omgedraaid moeten worden. Maar het aantal vingers is beperkt.

De ruimte om woorden of cijfers vast te houden is vergelijkbaar met een opnameband van twee seconden. Probeer je meer woorden of cijfers te onthouden, dan spoelen die over de eerste heen. Zo houden de hersens het werkgeheugen op orde en kan er nooit verwarring ontstaan bij het draaien van een volgend telefoonnummer. De informatie in het kortetermijngeheugen is altijd up-to-date.

Ook het langetermijngeheugen is selectief. Aandacht is daarbij de poortwachter. Zonder aandacht stromen onze waarnemingen direct weg in het putje van het vergeten. Beelden en geluiden die blijven steken in de lagere delen van de hersenschors worden al na een fractie van een seconde overschreven, zodra oog of oor iets nieuws registreren. We zagen al dat een van de belangrijkste functies van aandacht is dat het de losse sensaties tot een ‘ensemble’ bindt. De kralen worden aan een draad geregen tot een samenhangende ervaring. Om zo’n ervaring te bewaren moet vervolgens wel de draad behouden blijven wanneer de aandacht zich op het volgende richt.

Onderzoekers in Californië lieten in 2006 zien dat je aan de activiteit van het aandachtsgebied in de intrapariëtale sulcus in de linkerhersenhelft kunt voorspellen of een ervaring compleet of slechts gedeeltelijk zal worden onthouden. Bij proefpersonen die later in staat waren om een compleet beeld te geven van wat ze gezien hadden, was de intrapariëtale sulcus actief. Het centrum pakt de ervaring als het ware in, zeggen de onderzoekers, zo kan die als geheel worden overgebracht naar een veilige plek.

Om de herinnering te behouden moet de ervaring (dat wil zeggen de draad die de kralen verenigt) worden vastgelegd in de hippocampus. Ook dat proces kun je volgen. Nijmeegse onderzoekers toonden proefpersonen een reeks plaatjes en konden betrouwbaar voorspellen welk van die ervaringen de oversteek van hersenschors naar hippocampus met succes maakten. Voor zo’n geslaagd transport moeten de twee hersendelen hun ritmen onderling afstemmen. Dat doen ze door hersengolven te produceren. Zijn de golven van hersenschors en hippocampus te zwak, dan gaat de herinnering onderweg verloren. Bij mensen met alzheimer zijn de hersengolven verstoord. Dat is waarschijnlijk de reden dat ze nauwelijks nieuwe herinneringen kunnen vastleggen. Onderweg naar de hippocampus lijden alle ervaringen schipbreuk.

Onderzoekers maken soms gebruik van vergeetachtige muizen. Zo’n vergeetmuis ontstaat wanneer ze de genen zo aanpassen dat in de hersenschors van het knaagdier de productie van het enzym α-CaMKII wordt geblokkeerd. Het enzym speelt in de hersenschors een sleutelrol bij langetermijnpotentiatie. Zonder het enzym kan de schors van de gemanipuleerde muis geen herinneringen meer vastleggen, omdat het geen verbindingen kan versterken of verzwakken. Toch leert een vergeetmuis aanvankelijk net zo snel als de andere muizen. Hij verliest daarna echter gauw terrein, alsof zijn geheugen verstopt raakt. En dat is ook precies wat er gebeurt. Het experiment toont aan wat neurobiologen al langer vermoedden: herinneringen worden eerst tijdelijk vastgelegd in de hippocampus om daarna te worden overgedragen aan de hersenschors. Omdat bij de muis die tweede stap was afgesneden, stokte het leerproces toen de hippocampus vol raakte.

Bij gezonde muizen en bij gezonde mensen draagt de hippocampus de herinneringen dus over aan de hersenschors. Dat doet het orgaan waarschijnlijk door ze steeds weer op te roepen. Door ze te repeteren alsof het om een lesje Franse woorden gaat. Hersenonderzoeker Cyriel Pennartz, werkzaam bij het Swammerdam Institute for Life Sciences aan de Universiteit van Amsterdam was getuige van dat repeteren. Hij observeerde de hersenactiviteit van ratten terwijl die oefeningen deden en ontdekte dat de patronen zich herhaalden tijdens de slaapperiode die volgde. Onderzoekers vermoedden al heel lang dat het geheugen ’s nachts wordt bijgewerkt. Zoals we later in dit boek zullen zien staan onze dromen waarschijnlijk goeddeels los van dit proces. Het is vooral de diepe slaap waar het geheugen baat bij heeft. Uit veel experimenten is gebleken dat een nachtje slapen een heilzaam effect heeft op een leerproces.

Knaagdieren repeteren hun herinneringen trouwens niet alleen ’s nachts, maar als het nodig is ook overdag. Onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology ontdekten in 2005 dat de muizenhersenen, wanneer ze een oefening goed uitvoerden en daarvoor beloond werden, de succesvolle actie achterstevoren repeteerden. Alsof ze de video terugspoelden om te kunnen vastleggen hoe ze het hadden aangepakt. Het is onbekend of mensen ook zoiets doen.

Iets onthouden is een langdurig proces. Het kan bij mensen wel twee jaar duren voor een herinnering volledig in de hersenschors is vastgelegd. Waarom zo lang? Het vermoedelijke antwoord is eenvoudig: om een herinnering stabiel in de hersenschors te kunnen vastleggen zijn vaak nieuwe zenuwverbindingen nodig, en dat neemt soms tijd in beslag. De hersenschors is te omvangrijk om de vele miljarden neuronen die zich hier bevinden allemaal zó met elkaar te verbinden dat iedere combinatie van kralen kan worden aaneengeregen tot een nieuwe herinnering. Ons hoofd zou dan kolossale afmetingen aannemen. De neuronen moeten zich daarom voortdurend hergroeperen, op zoek naar de juiste structuur om nieuwe ervaringen te kunnen vastleggen. Pas als de juiste hersenverbindingen zijn gelegd, kan het web van een herinnering door de hippocampus worden geactiveerd.

Het is fabelachtig wat mensen kunnen onthouden. Ook mensen trouwens die denken dat ze een slecht geheugen hebben. Zonder dat we het weten slaan we voortdurend enorme hoeveelheden informatie op. Onderzoekers van het Massachusetts Institute of Technology lieten in 2008 proefpersonen een kleine driehonderd foto’s zien van alledaagse voorwerpen: een donut, een glas sinaasappelsap, een laptop... Na deze vertoning, die ruim tweeëneenhalf uur duurde, kregen ze de objecten nog eens te zien waarbij aan een deel van de objecten iets was veranderd. Een extra hapje uit de donut, een slokje gedronken van de jus, de laptop verder opengeklapt. Tot verbazing van de onderzoekers merkten hun proefpersonen negen op de tien veranderingen op.

Een fotografisch geheugen bestaat niet, de hersenen slaan geen beelden op, maar ze onthouden wel onwaarschijnlijk veel details van dagelijkse situaties. Gelukkig vergeten we die details ook weer. Het Amerikaanse geheugenwonder Orlando Serell is daar een uitzondering op. Hij weet sinds vrijdag 17 augustus 1979 van alle dagen van zijn leven de raarste details. Wat voor weer het was, wat hij die dag heeft gedaan en wat er ’s avonds op tafel stond.

Een onverdeeld genoegen is het niet om je zo veel onbenulligheden te herinneren. Al die details zorgen namelijk voor verwarrende associaties bij nieuwe ervaringen. Staat er lamsvlees op tafel of gaat Serell op een zonnige dag naar de kapper.... steeds buitelen de herinneringen aan vergelijkbare situaties over elkaar heen.

Dat Serells ijzeren geheugen op die vrijdag in 1979 begon heeft een duidelijke oorzaak: die dag kreeg hij op de speelplaats een honkbal op zijn hoofd en smakte tegen de grond. Zijn gave berust op een hersenbeschadiging.

De kunst van het vergeten is voor de hersenen even essentieel als de kunst van het onthouden. Mensen die beroepshalve afhankelijk zijn van hun geheugen kunnen er over meepraten. Musici die als solisten concerten uit hun hoofd spelen hebben vaak veel last van flarden van vorige concerten die nog onvoldoende zijn vergeten. Daardoor zitten ze in de weg bij het repeteren en uitvoeren van een nieuw stuk. Ook de wisseling van pincodes en wachtwoorden, bij sommige banken om veiligheidsredenen verplicht, kan cliënten tot wanhoop brengen. Niet omdat het zo lastig is om een nieuwe code te leren, maar omdat de oude code niet makkelijk kan worden gewist en dus een tijd voor verwarring blijft zorgen.

Onderzoekers van de Stanford University lieten in 2007 zien dat de frontaalkwab verkeerde associaties onderdrukt als we ons iets proberen te herinneren. Na een tijd worden de verkeerde associaties zwakker. Hoe sneller die verzwakking verliep bij de proefpersonen, hoe beter ze relevante informatie konden onthouden. Goed onthouden is in de praktijk dus vooral een kwestie van goed vergeten.

De inmiddels overleden Amsterdamse psycholoog Christiaan Hamaker vertelde me eens dat hij zijn leven lang een liedje van Annie M.G. Schmidt had gerepeteerd om het te behouden. Het was een simpel liedje over een regenworm in Sneek. Hamaker was al in zijn jeugd begonnen het te onthouden. Eens in de twee maanden repeteerde hij het. Vaak lag het onaangeroerd in zijn herinnering, vertelde hij me, soms waren er kleine veranderingen. Dan ontbrak er ineens een woordje. Of moest hij even zoeken naar de volgende regel.

Het geheugen is altijd in beweging. Nieuwe herinneringen veroveren een plaats, oude herinneringen vervagen. Geen onderdeel in de hersenen is zo plastisch als het geheugencentrum hippocampus. Hersencellen maken nieuwe verbindingen en veranderen hun oude verbindingen voortdurend. In feiten blijft er in ons geheugen heel weinig hetzelfde in de loop der jaren. En toch blijft de rode draad van ons levensverhaal onbeschadigd. We vergeten details, geen essenties. Sleutelgebeurtenissen zoals geboorten, begrafenissen, verhuizingen en memorabele ontmoetingen blijven gespaard. Dankzij die rode draad blijven we, voor ons gevoel, ons hele leven dezelfde. De herinneringen vormen onze identiteit.

Herinneringen die je niet ophaalt vervagen in de loop der tijd. Herinneringen die je wel ophaalt versterk je. Vaak pas je ze daarbij ook een beetje aan. Dat kan want op het moment dat je een herinnering herbeleeft is hij een beetje instabiel. Onderzoekers van de The University of Texas en de New York University lieten in 2009 bij muizen zien dat stroomstootjes uit een stressvolle muizenherinnering kunnen worden weggegumd door de muizen er in een veilige situatie aan te herinneren. Zonder dat we het in de gaten hebben laten ook mensen details verdwijnen uit hun herinneringen of voegen die toe als we er bijvoorbeeld met vrienden over praten. Zo boetseert ons geheugen ons levensverhaal.

De sleutelgebeurtenissen in ons levensverhaal zijn vaak emotionele gebeurtenissen. De dood van een vriend, een rampzalige autorit of een gelukkige nacht liggen onuitwisbaar vast in je geheugen. Vaak in alle detail. Onderzoekers van de University of Alabama ontdekten in 2007 dat emotionele herinneringen als het ware worden verzegeld. De onderzoekers gaven muizen stroomstootjes en ontdekten dat in hun geheugen een gen (reelin) werd aangeschakeld dat de geheugenvorming versterkt een ander gen (protein phosphatase 1) werd uitgeschakeld dat geheugenvorming verzwakt. Zo worden belangrijke herinneringen extra stevig vastgelegd zodat je ze nooit zult vergeten.

Herinneringen verteren als bladeren waarvan je uiteindelijk alleen nog de nerven terugvindt. Die rode draad in je leven, daar sterf je mee. Tenzij de Ziekte van Alzheimer je te grazen neemt: dan sterft de herinnering terwijl je er nog bij bent.

En er sterft meer. Het duurt lang voor ik in de gaten krijg wat er met mijn moeder aan de hand is. Ik voel dat er behalve het verleden nog iets anders verdwijnt, maar ik kan er niet mijn vinger op leggen. Mijn moeder lijkt oppervlakkiger dan ik haar ken, er komt een vreemde matheid over haar. Het is alsof iedere conversatie zich afspeelt in dichte mist. We praten over tuinen. Daar houdt ze van. Haar leven lang was ze met planten in de weer. Ze schiep een wilde stadstuin vol kleur, met hortensia en campanula, met helenium en iris. Die tuin is er niet meer. Hij is weg. Ook in haar herinnering is hij zo goed als verdwenen. Daarom vraag ik haar een nieuwe te verzinnen. ‘Doe je ogen dicht,’ zeg ik. ‘Verzin een nieuwe tuin. Hoe ziet je lievelingstuin er uit?’

Dan gebeurt er iets wat ik niet verwacht. ‘Ik zie een grasveld,’ zegt ze. ‘Het is eigenlijk te klein, met te weinig charme.’ ‘En wat zie je nog meer?’ vraag ik. Maar ze ziet alleen maar nog meer gras en een tuinhek. ‘En de bloemen dan?’ probeer ik. ‘Welke bloemen en planten zie je? Welke kleuren?’ Het is even stil. Dan zegt ze: ‘Wacht, ik ga even een tuinboek halen.’

Plotseling begrijp ik dat die mist van onze gesprekken berust op een gebrek aan verbeelding. Ze kan zich eenvoudig geen tuin meer voorstellen als ze die niet voor zich ziet. De verbeelding is verdwenen. Ze kan zich ook weinig concreets meer voorstellen bij plannen, of die nu van mij zijn of van haarzelf. ‘Ik schrijf een boek,’ vertel ik. ‘Het gaat ook over jou.’ Ze kijkt me aan: ‘Goh wat leuk, een boek over mij! En waar schrijf je dat nou? Doe je dat thuis?’ Een boek dat er nog niet is, is voor haar iets abstracts. Iets wat gemaakt moet worden. Pas als het in haar schoot ligt zal ze zich kunnen afvragen waar het over gaat.

De herinnering van het verleden is onlosmakelijk verbonden aan de verbeelding van de toekomst, zo meldden onderzoekers in Washington in 2007 in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. Of ze proefpersonen nu vroegen om in gedachten naar het verleden te reizen of naar de toekomst, in de hersenscanner lichtten in hun brein precies dezelfde hersengebieden op: midden op de prefrontaalschors, midden op de temporaalkwab en achter op de gyrus cingularis. Volgens de onderzoekers vormen die gebieden samen een soort tijdreismachine die we gebruiken om naar de toekomst of het verleden te reizen.

De onderzoekers vermoeden dat herinneringen en toekomstbeelden op dezelfde manier tot stand komen. Toekomstbeelden maken gebruik van herinneringen, en omgekeerd zou het ook wel eens heel goed zo kunnen zijn dat de hersenen, net als bij een toekomstbeeld, in een herinnering de verbeelding een handje helpen door er dingen bij te verzinnen die we vergeten zijn.

Alzheimer tast dit systeem aan. Alzheimer knaagt niet alleen aan het verleden maar ook aan de toekomst. Zo sluit de ziekte mijn moeder op in het heden.

Ben ik dat? is een boek voor iedereen met hersens.
Bestel jouw eigen exemplaar.